Gedichten

 

Wijwater

hete stof waait schraal door het arm gemis
van rendement en booming business.
de macht van d’aarde waar jouw wijngaard ligt
pint vast je mazzel, marktwaarde en gezicht.

de jonge druif verlaat wortel en bewind,
vlucht op de zeewind samen met zijn kind,
maar hete stof waait schraal door zijn gemis
en rendement en business zijn ongewis.

zeeën en hekken van hemel hoog ontwerp
scheiden het niet-beloofde land vlijmscherp
van hem: geen mens, slechts voorwerp.
eerst slaaf nu vluchteling op de markt,
zijn bronzen huid door brandstof gemarkt.

1 druif, 2 druiven…, hoeveel passen in één boot?
zij worden met voeten getreden als joden in nood.
de zee kleurt rood als water bij de wijn wat dromen doodt.
hoeveel schepen? 1 schip, 2 schepen..., een hele vloot.

er drijft een beer, een pop en nog wat in het water,
iets om te redden? geen tijd om te kijken, misschien later.
1 druif, 2 druiven…, hoeveel passen in dit wrak?
teveel zielen om te tellen waardoor het schip brak.

witte rovers van de aarde en haar dampkring
zien hen als bedelaars beneden de juiste keerkring,
als mieren zonder ziel; ach, misschien later.
1 mier, 2 mieren…., hoeveel mieren in het water?

eeuwen van roven eist eeuwen van schaamte,
pas dan vormen zij en wij één duur geraamte,
eten we het sappige vruchtvlees van deze aarde
die bomen, beren, mezen, mieren, mensen baarde.

tot zolang waait brand stof door ‘t schraal gemis,
leven we voor meer meer booming business.
mensen op drift zijn als wolken die zwerven
van water naar water waar zij zullen sterven.

eeuwen van roven eist eeuwen van schaamte,
pas dan vormen wij en zij één duur geraamte.
bomen groeien niet tot in de hemel zoals jij beliefde.
het enige offer na zulk grieven is eeuwen lang liefde.

Jan. 2017, Carla Rus

 

Schuilen

1

haar witte jurk gekant en vol geruis,
de ranke armen open voor een ieder
sluiten alleen hem dicht tot een thuis.
het afscheid maakt hem tot nestvlieder

de vrouw is trots op haar soldaat en zal
elke mail, elk app, elke blog lezen,
vol vertrouwen amper iets te vrezen:
de kans op zijn dood is een klein toeval

zijn vinger roert haar lippen wijd
zijn tong glipt naar binnen vlijt
zich samen met haar sap en dicht

haar donkere holletje een veilig plein
zonder gezicht, gehoor en oh zo klein:
een speelkwartier in ‘t tere licht

2

waar is zijn hart onder ’t zware gewicht?
hij spiedt over het zand in zijn armen
een spuit, zijn aard gebukt onder plicht.
gesluierd smeekt de vrouw om erbarmen

zijn ziel vlucht zijn schutkleuren uit
terwijl zijn hand met ring granaten
gooit naar trommelvliezen. zijn bruid
verdwijnt ver weg zijn zijn maten

automatisch is zijn wapen, automatisch
zijn geest. de dreun bereikt zijn borstvlies,
het vuur grijpt om hem heen

de doden zijn niet van hen, maar van
wie wel? is zij de vrouw van die man
in hun schootsveld: dat stomme toeval?

3

verlof bevrijdt hem uit de hel
even wel waar is zijn ziel gebleven?
zijn hamers timmeren tijdloos schel,
het aambeeld laat zijn muren beven

’s nachts schokt hij overeind,
ziet aan zijn voeteneind als waar
dat opengereten hoofd: dierbaar
voor haar die nooit verdwijnt

schichtig is hij, ziet een spoor van
rode rotjes op straat, kruipt samen
met de hond ver weg van de ramen

schuilen in haar schoot gaat niet
meer. weggekwijnd geen hooglied
voor hem die almaar in ‘t zand spiedt

Carla Rus, Dec. 2016

 

Mijn lief

Jij staat altijd achter me
ook als je naast me staat
of tegenover me
Als je tegen me bent
ben je nog voor me
Hoe heb ik je kunnen kiezen?
Ach Neeltje die ik bemin
om haar ene zin:
voor wie ik lief heb
wil ik heten

Carla Rus, Dec. 2016

 

Leegte woorden betekenis

Schrap, schrapte, geschrapt
Wit, witter, gewit
Stil, stiller, gestild
Leeg, leger

Rust

Carla Rus, mei 2016

 

Wind beweegt mijn tak

Mijn klein paradijs:
jaren zicht op seizoenen,
elk uur weer anders.

De vijver is klein,
de reiger staat op één poot.
Wacht: de pad springt weg.

Een witte vlinder
vliegt vlug door mijn paradijs,
zoent zachtjes mijn ziel.

Krekels in de nacht,
spinnenweb in de yuka,
het duister streelt zoet.

De rode wingerd
strooit bladeren op mijn pad,
de herfstzon kleurt goud.

Koud en grijs is het,
een winterkoninkje zit
op mijn kale tak.

Bomen tekenen
stil bloedvaten in de lucht;
wind beweegt mijn tak.

Sneeuw valt met pakken,
een tulp schijnt dood. De zon komt:
de tulp blijkt fris rood.

De natuur is klaar
wakker. Bloemen geuren zacht,
de wesp wil steken.

Carla Rus, 2016

 


                                 z
                     zo
         zon
licht
         icht
                  cht
                     ht
                           t

z
zon
zonlich
zonlicht
dwaallic
htkerstl
ichtdwa
allichtk
erstlicht
zonlicht
kerstlic
htdwaa
lichtkers
tlichten
zonlicht

 


Als
we elkaar
bijlichten op
ons levenspad
van klei, veen of zand,
verdwalen kinderen minder
snel en zien wij scherper onze
les; voelen jongeren zich meer thuis
in ons vlakke – uit zee gewonnen – land,
worden zij minder snel ontvankelijk voor
de ratten-
vangers
van
I S

 


Als
we het
vlammetje van
de duurzaamheid
aansteken en er hélemaal
voor gaan; álle jongeren onder
de zon hierbij betrekken en hen
oprecht zien staan, worden we ieders
lichtje op ons levenspad van klei, veen of
zand, zien wij scherper onze les en nemen
we elkaar
liefdevol
bij de
hand

 


In de
lichtstad
opende pure haat
het vuur op geliefden en
genot: pijlen van afgedwaald
licht verbrandde ons vlees en bracht
dit rechtsstreeks bij God; hier viel ook
het vederen besluit zonlicht te verzilveren
op de héle aarde en in élk land: zonlicht dat
jongeren kan bijschijnen op hun levenspad
van
klei,
veen
of zand.

Carla, kerst 2015

 

Kinderziel

Je armen zo klein met blauw
geborduurde pofmouwtjes
beschermen,
weren af:
mijn aanraking.
Je schouders zo smal
opgetrokken met
nauwelijks zichtbare abrupte
schokjes in die lieflijke mouwtjes.
Je ogen half geloken:
duistere kerkers,
lange zijden wimpers
werpen fragiele schaduwen
op je zachte wangen.
Je schuift onrustig op
mijn grotemensenstoel,
je gouden laarsjes
raken niet de grond,
je benen zo dun met witte maillots
schommelen driftig
heen en weer:
wil je weg?

Je hoeft niets, wees gerust:
Ik zal je niet aanraken,
voorlopig niet,
je bent hier veilig.
Dit zal je niet geloven,
voorlopig niet:
je vertrouwen vloog weg met
wijd fladderende vleermuisvleugels,
je oren - gespitst vastgegroeid op je koppie met
paardenstaart en roze strik,
horen alles,
je neusvleugels - bijna permanent opgetrokken,
ruiken alles,
als ik even niet kijk,
kijk je snel en verholen naar mij,
je ziet alles:
je ooglenzen zijn vergrootglazen,
je zenuwen hebben zich ragfijn vertakt,
jouw beeld van mij is groter dan levensgroot:
ben ik een reus met zevenmijlslaarzen?
een heks met waanzinnig lange nagels?

Aan mijn muur hangt een schilderij
van een cypers katje. Je ziet een tijger.
Je mag tekenen:
je potlood schraapt scherp
een middeleeuwse burcht
met puntige kantelen,
muren zo dik en hoog
dat er geen licht en warmte
van de zon doorheen kan,
grachten zo breed en diep
dat je niet op avontuur durft:
je zou verdrinken;
in die zelfgemaakte vesting wacht
je kinderziel ineengedoken
op betere tijden.

Je vindt tekenen leuk,
je houdt van kleuren:
geel, blauw, rood, groen, paars,
in strepen naast of door elkaar,
dan, onverwacht een meoriet: veel zwart,
zwart, zwart, zwart,
je maakt je burcht inktzwart,
de grafieten punt breekt af, je rilt,
ik mag je nog niet troosten,
geduld, geduld, geduld,
je vindt je tekening nu lelijk,
wilt hem weggooien,
Ik vraag of je de gom durft te gebruiken,
je kijkt me net iets langer aan en
Ik zie een glimp van jouw kinderziel:
dartelende vlinders, schitterende sterrenstof,
liefde als traag meanderende rivieren en
luid bulderende watervallen, jonge
vogels die zingen tijdens hun vlucht:
een glinsterende, broze diamant.
Jouw zwarte burcht is een engelbewaarder.

Je gumt en gumt en gumt of (omdat)
je leven ervan afhangt;
jij staat mij toe dat ik het papier aan mijn
kant van de tafel met twee handen fixeer,
jij gebruikt hiervoor je kleine linker knuist en
veegt met je rechter heel hard naar rechts:
de muren worden dunner, niet mooi,
maar doorzichtig grijs. Hier zou misschien
wel een superklein dun zonnestraaltje
doorheen kunnen glippen.
Klaar! roep je bijna enthousiast.
Ik vraag of je nog een keertje
terug wilt komen.
Bijna onmerkbaar knik je
met je koppie, ik zie het aan
je roze strik die half los is gegaan
tijdens je noeste arbeid.
Je geeft me uit jezelf een hand:
een klam handje;
de vleermuis houdt zijn adem in,
blijft muisstil zitten.
Ik voel mij diep vereerd.

Carla Rus, 11 december 2015

 

Lovergirl

Alleen jouw huid, niet jouw ziel wil hij:
een tere bloem nog in de knop verkopen.
Jíj bent het die zijn liefde en erkenning wil,
de sleutel tot jouw heiligdom laat lopen.

Je spiegelbeeld oogt schoonheid die ontluikt,
ook een verlangen dit aan de wereld te tonen.
Maar hij wil alleen je huid en niet je ziel:
een tere bloem nog in de knop verkopen.

Je werd gelokt, geïsoleerd en toen gebruikt;
verraden werd je liefde en de sleutel tot je edele
delen verkwanseld. Je zelfbeeld - verscholen
in alle vezels van je lijf - bevroor totdat het viel:
hij wilde alleen jouw huid, maar stal je ziel.

Carla Rus, 11 september 2015

 

Gedicht voor jou

Een gedicht voor mijn liefste,
voor stilte na de storm.
Een storm die schijnbaar onverwacht aankomt
woeden zo hard en guur
dat jij en ik wegwaaien
als hoge rietstengels
bijna
knakken
terwijl wij ons niet aan elkaar
vasthouden
want we zijn elkaars storm:
twee lagedrukgebieden in botsing
strijdend om hun gelijk,
een strijd tussen eigenliefde en
liefde voor de ander.

En het diepe water roept,
zuigt tot angstig zwart,
de orkaan trekt aan tot een
hoogtepunt.
Kan het nog dieper:
dat water,
die liefde?
Hoe diep moet jij gaan,
hoe diep moet ik gaan,
totdat ik weet dat ik
leef,
nodig ben,
geliefd ben,
en ik jou als liefde
accepteer
zonder twijfel
om wie jij bent?

Ook als je niet bij mij bent
omdat je zit in jouw eigen woestijn
op de bank zo dichtbij,
terwijl de wind huilt,
de wolken razen
de eenzaamheid dreigt,
de kilte snijdt,
jij door het koude water
mij niet meer hoort
roepen.
Heel hard,
steeds harder
tot mijn orkaan aanzwelt
tot een tropische cycloon
zo overweldigend en verschrikkelijk
dat de meeuwen van onze eigen zee
onrustig krijsend rondjes vliegen
waardoor ik jou niet meer hoor
roepen.

Stilte na de storm
kan met dit:
een gedicht;
zodat ik kan geloven
in jouw liefde,
het water rustig wordt:
strak en nog steeds diep
maar een geheim
prijsgegeven.
Maar het water is zo onmetelijk diep,
kan zoveel geheimen herbergen,
hoeveel stormen zijn nog nodig
voordat jij en ik,
vooral ik als gevangene
van jouw liefde en
ons huis,
ben uitgeraasd?

Elkaars adem proevend
de tijd hebben.
Elkaars stem horen
de tijd nemen:
een gedicht
als stilte na de storm,
als troost.
Elkaar vasthouden
niet verstikken maar
aanraken:
jouw hand
de mijne
jouw ziel
de mijne:
een verbond.

Carla, 2015

 

Gemankeerd

Jouw hand zoekt mijn dij,
mijn dij zoekt jouw hand,
aarzelend en bezonnen,
vanwege mijn diepe pijn.

Onze liefde stroomt gestaag,
maar de bedding is zo smal.
Elke druk van jouw hand,
elke beweging van jouw arm,
elke zinnelijke zoen van jouw lippen
op de mijne, kan teveel voor mij zijn.

Onze geesten reizen naar het verleden:
naakt naast elkaar in ‘t frisse gras,
de geur van wilde lavendel in onze neuzen,
gekriebel van sprieten op onze huid.

Vingers op fijne plekken,
het gewicht van jouw torso
op die van mij. Het schuren van
jouw weelde op mijn welving,
mijn ontvankelijkheid vanbinnen:
de klankkast van een viool.

Tedere adagio van zacht zingende egels,
ingehouden speelsheid, want beducht
voor ‘t naderen van allegro con fuoco:
ooit gewenst, maar allang niet meer zo.

Onbezorgde nabijheid verdwenen,
jouw vocht vangt bot in mijn woestijn.
Bedachtzaam is onze omhelzing, een
koesterende streling die nog nét kan.
Een streng verbod op vlees en driften:
dopaminedriften van het gezonde zijn.

De geuren van bloemen verdiepen,
het geluid van mijn snaren zwelt aan,
jouw toog schenkt vol en nog voller,
ten finale scheppen we eigen polder.

Jouw borst rust hijgend uit
op ons intiem gewonnen erf,
je gezicht oogt zacht en dankbaar,
tevreden tot in je diepste nerf.
Mijn lieve lippen blijven dorsten: de
strijkstok brengt mij het zoete eind.

Hartstocht en passie zijn
nu stil en doof verdriet.
Lachende herinneringen
strelen teer maar doen zeer,
zijn vervagende dromen in
een immens tragisch lied
van violen die klagen: zulk
genot komt nooit weer.

Mijn acceso is gesmoord:
ik schoof het aan kant.
Mijn lief helpt nu zichzelf
met zijn eigen vrije hand.
Rest ons de gehechtheid,
de troost van hormonen:
die heilige hormonen uit
ons zelf gewonnen land.
Behoedzaam zoeken wij
de beroering: naderbij,
naderbij...
jouw hand in de mijne,
jouw ziel in die van mij.

Carla Rus, September 2015

 

Getourmenteerd

Ik
Ik weet
Ik weet niet
Ik weet niet hoe
Ik weet niet hoe ik
Ik weet niet hoe ik verder
Ik weet niet hoe ik verder moet.

Móét ik dit nu doen?
Moet ík dit nu doen?
Moet ik dít nu doen?
Moet ik dit nú doen?
Moet ik dit nu dóén?

Ik
Ik kan
Ik kan niet
Ik kan niet verder.
Ik
Ik ga
Ik ga verder.

Schaduw
Schaduw is
Schaduw is verborgen
Schaduw is verborgen licht.

Carla, 18 sept. 2015

 

Kinderspel

Rolverdeling:

Als jij de koning bent
als zon,
en ik de koningin
als aarde en maan,
kun jij mij bewegen
en ik mijzelf.
Kun jij mijn borsten verwarmen
met jouw stralen,
mijn hemelstreek bezetten
met jouw rib;
kan ik jouw dragen op mijn bodem
en laten thuiskomen
in mijn schoot.

Spelregels:

Verboden is het
met je speelbal
ongevraagd mijn aarde
in te zinken.
Kijk uit!: dan dreigt
mijn (water)val,
kun je in diepe
ademnood verdrinken
in de zoute vloed
van al mijn tranen,
breekt jouw stom
gemis aan kennis
van mijn regels over
eb en vloed jou op:
mijn cyclus dood(t),
een bal op je kop!

Verklaring spelregels:

Als ik blank en vol ben
en jouw koper rood,
kan jouw hitte mij
verbranden: verassen tot
pure stof en schroot.
Begrijp me:
dáárom hul ik mij
in gordijnen water,
in woorden verborgen
in vette crême.
Want ik kan jóú niet
bewegen of stuiten,
slechts verlangen en
ontvangen,
of uit benauwdheid
voor de kater
gemeen en snel
mijn luiken sluiten.

Uitslag spel:

Jouw zon trekt mij aan,
mijn aarde mijn maan:
een spel uit één bron.
De oerknal slingerde ons
door het heelal
ver uiteen.
Maar als we elkaar
- gas en steen -
als dierbare dwergen
blijven zoeken,
mag jij elke prille
ochtend en nacht
zonder doeken
in mij zwemmen;
mag je mij
oh rood liefdespij
bedekken tot
aan mijn horizon.

Wanneer wij
in onze banen
dartel blijven
draaien en keren:
In spin de bocht gaat in,
blijft de aarde
smeuïg en vet;
wens ik mijn hoofd
te laten slapen
op de schouder
van de koning
in een stout op
muziek gezet
vertelsel
over ons mooie
minizonnestelsel;
verstrengelen wij
innig terwijl ik zing:

Engelenvleugels
toveren voor
dit liefdespaar
sneller dan
één lichtjaar
de hemel om tot
zoet gewelf.
We zijn beiden
winnaar:
schitterende
sterrenstof,
maar
gewoon
onszelf!

Carla, augustus 2015

 

Hebron

de eelten moederhand houdt aldoor
die ene zwarte klokslag tegen:
flits in de tijd die haar ziel bevroor
onbestaanbaar dus verzwegen

krimpen de vogels en de wind,
gaat ooit die schelle fluit voorbij?
huizen zijn al eeuwen ruïnes, hij
ligt met zijn hoofd op een kei

Ismaël werd klein geboren, haar eerste
van Abraham bijna vroeg verloren aan
woestijnen vrees toen afgunst heerste

zijn zwakke hart een moedig soldaat
dat aandringend tikte om te geven
terwijl zij het broze leven slechts bevend
aan Allah is groot over kon geven

nu knokt zij zelf met blote moederhand
achterwaarts tegen een klagende muur
van tijd; steeds vergeefs, steeds te laat:
weggestuurd naar niemandsland

haar zoon was veel beloofd:
stampte tal van verbanden
en Latijnse namen in het hoofd
onuitverkoren tussen zijn handen

hij loopt voor brood met zijn zus
naar de overkant van de straat,
halverwege breekt haar kus,
waarom vergat God deze granaat?

elke nacht stroomt haar straat
diep in haar schoot donkerrood,
haar hoofdkussen fluit een schelle noot
die nooit meer overgaat

Carla Rus, april 2016

 

Vliegende mier

Een vliegende mier:
dat is wie zij is.
Een mier die één keer per jaar
haar vleugels verliest.
Het hele verdere jaar kruipt en ligt zij
diep in de donkere grond,
bijt in de bittere aarde,
werkt zich hard door de tijd heen
om hem vruchtbaar te verstrijken,
worstelt met de materie,
met haar kleine lieve leven,
met haar nog kleinere zachte ziel, terwijl
ze probeert los te laten dat
ze ooit toch écht kon vliegen.

Zo wonderlijk hoog en ver kon
zij vliegen als mierenkind
in haar mierendromen.
Zij hoefde alleen een
aanloopje te nemen,
haar armen uit te slaan en
dan vloog ze op: hoger en hoger
tot ver in de wolken, want een
gewaarschuwd kind telt twee vleugels,
vliegt niet naar de zon, blijft
dichtbij moeder aarde,
kijkt naar beneden zodat zij scherp
de kleine en de kleingeworden
grote mieren kan zien.

Maar ook al lijkt zij een koningin
van stature met al die werkmieren
die dienen en haar en het
nest in leven houden:
ze is een werkster!
Ze werkt zo hard als zij
haar hele vrije vliegende bovengrondse
leven nog niet heeft gedaan.
In diepe duisternis zonder horizon en
zonder licht aan de horizon.
Wie begrijpt waarlijk een koningin
zonder zelf ooit
koningin te zijn geweest?

Carla, jan. 2016

 

Mijn kruis

Twee lijnen violet van kleur
kruisen
elkaar in een
geel korenlandschap
– zoals onze wegen
elkaar elke dag kruisen,
op één punt uitkomen
dat in de wiskunde niets is
maar voor ons
alles:
een uitgestrekt glooiend sapgroen grasveld
om tijdloos tegen elkaar aan te liggen
tot aan de horizon waar ons verdwijnpunt ligt,
of in ieder geval
veel:
een veld met uitbundige zonnebloemen
om juichend naast elkaar te rennen
met de armen omhoog naar de hemel gericht –

en vervolgen
hun dunne paarse
weg in de gele uitgestrekte vlakte
naar het oneindige: het grote licht
dat niet echt
het oneindige is
als we de ouderwetse
tangens van onze wiskundeleraar
– die op de schouders van giganten staat –
mogen geloven
of de nieuwerwetse
tijdruimte van de grote Einstein
– die zelf al lang voorbij de horizon is –
die afbuigt
dus haar lijnen van welke kleur dan ook
ook.

De vraag is of
de weglopende levenslijnen
elkaar daardoor toch ooit weer
zullen kruisen in
een snijpunt van zachtgroen of vlammend oranje
of misschien in een stralend brandpunt gevormd door
het licht dat witte krokussen ons geven wanneer
de lentezon hen zachtjes wakker zoent.
Ik hoop hard
dat die violette lijnen niet
echt naar het oneindige
lopen
want dan kan
mijn knoestige bruine houten
bij tijden loodzware kruis eindeloos
duren
want wie zegt
dat mijn kruis

ophoudt
dichtbij
het kruispunt en
de loodlijnen niet gewoon doorlopen
in diepdonkerbruin?
Eindeloze inlegkruisen,
eindeloze
cycli van bloedrood of roestigbruin,
eindeloos
tranen van verdriet om
eindeloos veel oorzaken:
want de hele wereld rust bij tijd en wijlen
op mijn pijnlijke schouders,
eindeloos
mijn keel dichtknijpende angst om
de kinderen
over wie ik zo verschrikkelijk goed kan fantaseren
want in mijn nachtelijke moederhoofd
loop ik alle mogelijke lijnen af
alsof ik de kwantumfysicus Bohr zelf ben
tot in de ochtend de engelen de ergste zwaarte van mij af
hebben genomen en ik toch doorga,

eindeloos veel
pijn van mijn ziekte die onuitgenodigd met me oploopt
tot aan mijn horizon naar ons beider verdwijnpunt,
eindeloos
aftakelen en onttakelen en denken: kan het nog erger?
En jij mijn liefste loopt met me mee
in rustig blauw met een fakkel die ons bij schijnt
zo ver, dat de herfstbladeren
onder onze voeten knisperen
maar niet helemaal tot het verdwijnpunt
van mijn leven en mijn ziekte
want jij hebt een ander verdwijnpunt. Op jouw tijd.

Ik hoop dat de lijn van mijn leven
afbuigt:
een eindig kruis is van
bruine krampen, rode pijn, grijze dagen,
violet tikkende seconden,
een brandend oranje
kruis desnoods,
maar eindig.
Ik verlang wel met heel mijn ziel dat
onze wegen elkaar al die tijd
blijven kruisen
iedere keer in een ander landschap
met andere luchten en bloemen en bladeren en pruimen:
het uitzicht op dit kleinste paradijs op aarde
vanuit mijn gouden kooi
waarin ik gevangen zit
als een kleine kwetsbare vogel die laag bij de grond
leeft als een kikker maar die door haar ziekte
een vogelperspectief heeft ontvangen
met kruisen en mollen en muziek en sleutels en tra la la
tot in het oneindige.

Ik ben niet opgevoed
om dit af te smeken met
drie kruisjes te slaan
op mijn hoge blanke voorhoofd
daarna op mijn borst waar
de ribben doorheen steken maar
waarin mijn hart nog warm klopt
voor ieder die mijn weg toevallig
of niet toevallig kruist
en mijn linker en rechter brede schouder.
Daarom zet ik simpelweg
bij het hokje van dit verlangen
een grafieten
kruisje.

Carla, 10 okt. 2015

 

Battle of the Scheldt                                                          eind 1944

Woensdrecht brandt, stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde;
bevrijders komen uit het oosten, zuiden en westen,
gaan waar de vijand zit: de bunkers, mitrailleursnesten.

Explosies in het met zeearmen doorregen land
scheuren dorpen uiteen: mensen en dieren, hun zielen;
soldaten ploeteren in de striemende regen door het slijk:
zonen van ver over zee in een geknecht koninkrijk.

Generaals wilden door, maar voorraad blijft plicht,
dus reizen vermoeide helden naar het tere Hollandse licht,
scheuren explosies in het met zeearmen doorregen
land steden uiteen: mensen en dieren, hun zielen.

Antwerpen is bevrijd, haar navelstreng van de vijand,
Adolf maakt zich sterk: geeft aan de oevers felle weerstand;
Zeeuwse boeren worden uit huis gesleept voor nieuw beleg:
rommelasperges moeten zij planten in akkers aan eigen weg

In Schoondijke spaart het vuur Gods huis, verder staat er geen,
een jongen verliest zijn broer, zijn vader verliest zijn been;
fakkels steken Breskens aan, ‘t stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde.

Bevrijders komen uit de lucht, de zee en ‘t kale polderland,
heimwee knaagt, rouw om het dode maatje in dit vreemde land;
een vuurbal treft het stadje Sluis: ‘t stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde.

Dijken worden vermorzeld: bescherming voor gewonnen land,
gekrijs van metalen meeuwen met moedige jongens bemand;
ontploffingen en watergolven - opgezweept door woeste wind,
dijkbrokken in een zee die meester wordt van land, vrouw en kind.

Mekkerende schapen, een stoel, een kadaver van een zwart paard:
alles drijft in het verdronken land ver weg: weg van huis en haard,
dijken worden vermorzeld rond gewonnen vruchtbaar land,
gekrijs van metalen meeuwen met bange jongens bemand.

In Westkapelle vluchten families de molen in als ratten in de val,
in Vlissingen blijft slechts één huis intact in straten van verval,
het vrije water is rood van tranen om duizenden zonen die vielen;
oorlog scheurt organismen uiteen: mensen en dieren, hun zielen.

Carla Rus, 3 oktober 2015

 

Gebed van een ongelovige Thomas

Wanneer je bent als warme lichte nevel
warend in onze zielen, reizend van mens tot mens:
wil ik in je geloven.
Wanneer je bent als zwermen dartelende vlinders
afkomend op onze zachte geur omdat je bloemen ziet:
wil ik in je geloven.

Maar als u een meedogenloos strenge rechter bent
die wij met grote vreze moeten vrezen,
wilt u niet onze liefde maar onze angst ontvangen.
En als u een ver boven ons uittorenende troon verkiest
zodat u vanuit ijsblauwe hoogten op ons neerkijkt,
bevindt u zich voor mij in een ver onherbergzaam zonnestelsel.

Wanneer je bent als duizend zachte lichtstralen
die ons van binnenuit verwarmen en verlichten:
wil ik in je geloven.
Wanneer je bent als een veld met stippen wit en paars:
violieren die onze ogen strelen en harten zoenen,
wil ik in je geloven.

Maar als u ons indeelt in hel en hemel terwijl u beweert
zélf onze dierlijke driften te hebben geschapen, waardoor
wij onder uw billboard
‘JEZUS REDT’
verblind, verdoofd en schietend onze weg gaan,
wilt u dat ik bang voor u ben.

Wanneer je bent als duizend schitterende fonteinen die
ons van binnenuit verfrissen en verschonen:
wil ik in je geloven.
Wanneer jouw sprankelende water de schrijn van onze pijnen
wil verzachten en onze wonden wenst te helen:
wil ik in je geloven.

Maar als u de ene gelovige verheft boven de andere,
gelardeerd met keppels, kruizen en sluiers, waardoor
wij onder het geschal uit uw luidspeaker
‘ALLAH IS GROOT’,
elkaar het hoofd afhakkend onze weg vervolgen:
plukt u uw eigen wrange vruchten.

Geloof me!: Wanneer u vreest ons d’verantwoordelijkheid te laten,
houdt u ons klein als mieren en bent vergeten
dat wijzélf na doorslikken van slang en vrucht
uw paradijs verruilden voor het vermogen
goed van kwaad te onderscheiden;
toont u mij slechts een sleets vervlogen aangezicht.

Niet dat ik je niet begrijp:
ook ik moet mijn kinderen loslaten in jouw grote wijde wereld,
hen in vrijheid hun eigen fouten laten maken
zodat ze leren en kunnen groeien tot in de hemel.
Ook ik vind het moeilijk hen over te laten aan de sterren en te vertrouwen
dat wat ik gezaaid heb vroeg of laat geoogst zal worden en
meer dan dat.

Wanneer je bent als een vlucht vogels
die mij meeneemt het grote water over
en mij niet aflatend draagt met duizend vleugels
net zolang tot mijn ziel volbracht en voorgoed thuiskomt:
zal ik niet verblind worden door jouw stralend aangezicht
omdat mijn ziel de jouwe is.

Dan ben je als een zee van liefde
die door mij stroomt als muziek van harp en fluit
zodat ik uitbundig van blijdschap mijn leven dans.
Dan ben je als fluweelzacht vuur van warmoranje draden
waarmee je alle mensen samenweeft tot één gouden kleed;
dan wil ik bezien om aan het eind van alles te geloven
dat ook ik de agnost een vonk ben van jou.

Carla Rus, april 2006

 

Roodborstje


Jij zit daar niet voor niets
pal voor mijn raam
mooi te wezen en
mij de hemel in te zingen.
Niet voor niets
zit jij op die hibiscustak
terwijl ik huilend
op de pot zit.
Met kleine angstige pasjes
ben ik er naar toegeschuiveld,
waarna ik er - vervaarlijk
mijn evenwicht bewarend – als
een mislukte ruimtevaartcapsule
op ben geland.
Nu weet ik het zeker:
ik wil naar huis.

De klok achter mij tikt,
elke seconde is mij lief
en brengt mij dichterbij.
Hoe had ik ooit kunnen
verzinnen
dat een mens
zoveel pijn
in één enkel lichaam,
zoveel pijn
in één enkel leven
zou kunnen herbergen:
nek, gezicht,
handen, voeten,
tenen, benen,
jaren.

En nu ben jij daar ineens
kleine roodborst,
rechtstreeks uit de hemel
naar mij toegevlogen.
Maar je zingt niet:
‘Kom maar, ik neem je mee’,
nee, je zingt het lied van de
kleine spartaan, van het:
‘Ik kan niet verder. Ik ga verder.’
Hoe dúrf jij eigenlijk kleine vogel
om mij - al vijftien jaar
in een gouden kooi opgesloten -
terwijl jijzelf slechts maximaal
tien jaar meehoeft,
vrolijk aan te sporen met een:
largo vivace!

Toch ben je speciaal
voor dit arme hoopje mens
met je bijna-engelenvleugels
aan komen vliegen tijdens mijn
donkerste uren op klaarlichte dag
tot heel dichtbij.
Nu weet ik het plotseling zeker:
júíst voor mij! -
alle Gauss kromme’s en
standaarddeviaties ten spijt.
Jij zit daar niet voor niets
pal voor mijn raam
parmantig met een vijgentakje
in je bek: vrede op aarde,
vrede met mijn leven:
ik heb er maar één.

Carla, 2005

 

Afscheid,

Ooit leefde ik in u,
met mijn hoofd en hart,
met mijn gedachten en gevoelens;
dit alles groeide in
de geborgenheid van uw schoot,
tot God in mijn pasgemaakte oor fluisterde:
het is je tijd.

Ooit leefde ik in u,
de eerste scheiding ging gepaard
met een schreeuw van pijn,
van u en mij,
doch ook met een lach
van u en later ook van mij,
daarna leefde ik niet meer in maar met u.

Dit met werd steeds minder,
door u kon ik leven,
doch u moest mij loslaten;
vlak voor uw eigen geboortedag
fluisterde God in uw oude oor:
het is je tijd,
en nu moet ik ú loslaten.

Ooit leefde ik in u,
nu leeft u in mij,
in mijn hoofd en hart,
in mijn gedachten en gevoelens,
in de geborgenheid van mijn ziel
leeft u voort,
in de liefde
voor uw kindskinderen
blijft u immer
bestaan.

Carla Rus, 30 september 1999

 

De val

Mijn leven een draad, gesponnen
van licht en lust, van gisteren
naar morgen, geen rechte maar toch:
voorwaarts riep mijn engel.
Tot onverwacht
één enkel scherp
moment
mij koos,
onomkeerbaar ving in zijn droom
van tijdloos bungelen.

Mijn leven aan een draad, een droom
ving mijn hoofd, het
duizelde en suisde, raakte
verblind en verdoofd,
verdwaasd en verdoemd.

Een droom houdt mijn hoofd
gevangen, een kerker mijn ziel.
Elke engel is vrij, de mijne verkoos
te vallen en ligt
in graniet gehouwen
naast mij
bij mij
héél dichtbij;
een zuchtje wind streelt mijn huid
een zachte geur troost stukken
vleugel.

Carla Rus, 1997

 

Gek

Gek ik heb u nodig
als u het bent
ben ik het niet
maar blijf ver van mij
want ik ben bang voor mijzelf

Carla, 1991

 

Contrôle

Klein en zacht
heb ik de macht,
een flirt met de dood
maakt mij groot.

Carla, 1979

De kleurmuis

Ongewis
van haar schoonheid
bukt zij zich.
De zon danst over haar neusringen,
in haar zwarte vlecht
geuren verse bloemen,
tussen haar wenkbrauwen ingebeiteld
een gloeiende rode stip.
Het glanzend zwart
omzoomd door vochtig riet
rust haast onmerkbaar kort
op mijn bleekheid,
bezweemd wendt zij ijlings
haar bloemkopje af.

De korte tengere stengel
buigt verder,
de zachte bruine kin
valt naar voren,
de ronde knieën knielen:
raken met haar zingend kleed
het koele steen.
Nu toont zij zich slechts
een platte kleurmuis
in aanbidding
voor een beeld;
ongewis
van de God
in haarzelf.

Carla, 1979

2 gedachten over “Gedichten

  1. Wim Davidse

    Ik las je gedicht ‘De slag om de Schelde’. De oorlog, die ik zelf als jongetje van vier meemaakte, spat er van af. Intense taal!

    Reageren
    1. Carla Rus Bericht auteur

      Dankjewel Wim! Voor mij is de Slag om de Schelde slechts een verhaal (van mijn lieve vader), voor jou was het rouwe werkelijkheid! Hartelijke groet,Carla

      Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *